Posts tonen met het label Renaat Seynnaeve. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Renaat Seynnaeve. Alle posts tonen

zondag 17 juni 2018

Even terug in het vaderland ...



Onlangs waren we nog eens een goeie week op bezoek in het vaderland. Of is het moederland? Sedert België geen kolonies meer heeft, verkiezen we vaderland.

We waren gelogeerd in het appartement van een lieve vriendin van Christine in de Leiestraat in Kortrijk, recht tegenover het stadhuis en naast de bibliotheek.




Het werd een week met zomerse temperaturen in een bruisend Kortrijk.

Uit ervaring weet ik dat een dergelijke week zeer druk is en gewichtstoename tot gevolg heeft op het einde.

De avond van onze aankomst stond "Acamoda" op het programma. Niet onmiddellijk mijn ding, des te meer dat van Christine, die als oud-leerlinge van de Kortrijkse academie was uitgenodigd.

Tweejaarlijks showt het atelier Mode en Theaterkostuums van de Academie Kortrijk de collecties van de studenten onder de naam "Acamoda".

De modestudenten laten hun visie op de hedendaagse mode zien door de heersende trends in vraag te stellen. Ze laten zich inspireren door de rijke Europese kostuumgeschiedenis of door etnische elementen eigentijds vorm te geven. 



's Anderendaags een verjaardagsetentje met onze Brugse vrienden, Annemie en Fernand, in Brugge natuurlijk.

Later op de week werden we bij hen thuis nog eens vergast op een heerlijke maaltijd.

Fernand was de chef-kok van het Pannenhuis in Brugge, hij leerde de stiel in de Civière d'Or op de markt in Brugge


Het interieur van de Civière d'Or.

De Civière d'Or op de markt in Brugge.

Onlangs waren Renaat en Veerle bij ons op bezoek in Ribérac.

Een uitstapje naar Aubeterre ...

Een tegenbezoekje in de Hoogstraat kon niet ontbreken.

Renaat staat ook meer dan zijn mannetje in de keuken. Telkens we er op bezoek gaan duurt het niet lang of we hebben het over onze jeugd, onze bakkerij van vroeger en onze familiegeschiedenis. Onze vrouwen hebben al meerdere malen dezelfde verhalen moeten aanhoren maar iedere keer opnieuw komt er toch ook iets nieuws naar boven en we weten werkelijk van geen ophouden.

Renaat weet ook dat ik sterk geïnteresseerd ben in de Wevelgemse geschiedenis en zorgde ervoor dat ik even zijn buur Marc Soenen kon ontmoeten, de zoon van meester "Soentje", mijn meester in het vijfde leerjaar 1964-1965.

Mijn "punteboekske" van het vijfde leerjaar.

Marc Soenen schreef samen met Philippe Stragier een boek: "75 - Rode Kruis - Wevelgem - 1943-2018", een leuk vooral kijkboek met veel foto's. Ik kon het bij hem aankopen.

De plaatselijke afdeling wordt opgericht op 12 januari 1943, in volle oorlogstijd. Er is een gebrek aan medewerking van de gemeentelijke overheid, aldus het boek. De burgemeester wordt niet bij naam genoemd. In die periode was oorlogsburgemeester Michel Byttebier aan de macht.

In de beginjaren herken ik Henriette en Rosanne Delrue, Yvonne Vanhalst (moeder van Rik, Geert, Jan en Lieve Bevernage) en Germaine Wetsoen (zuster van melkboer Louis, ze hield een winkeltje met kruidenierswaren in de Roeselarestraat op de Wijnberghoek) op verschillende foto's.

Opvallend ook hoeveel Rode Kruis-huwelijken tot stand komen onder de vele vrijwilligers, niet waar Franky?

Ik herken ook mezelf op een foto uit 1993, aanwezigheid als gemeenteraadslid was toen belangrijk en is het nog steeds.





Het bleef niet bij dit boek alleen, Renaat kon er mij nog twee geven.

"Mijn Oorlog", de ervaringen uit de tweede wereldoorlog door Wevelgemnaar Frans Robesyn.



Mijn ouders hadden ontzag voor Frans, hij was de man van de BTW, die ingevoerd werd einde jaren 60. Frans was ook de vader van o.a. Jean-Paul, misdienaar op de Wijnberg samen met mijn oudste broer Johan, en van Carine, van mijn geboortejaar 1954.

"Mijn Oorlog" is een zeer vlot geschreven boek dat ik in één ruk heb uitgelezen uitgelezen.

Op bladzijde 14 schrijft hij:

"Vandaag, 70 jaar later, heb ik het raadzaam geacht geen lijsten van mensen in mijn boek op te nemen, noch van "de witten", noch van "de zwarten" van onze gemeente Wevelgem. Dit teneinde de haatgevoelens van toen niet opnieuw aan te wakkeren. Dat zij inmiddels rusten in vrede."

Er bestaan dus lijsten en ik vraag me af in wiens handen ze zich momenteel bevinden. 

Belangrijk is dat deze info niet verloren geraakt.

Het boekje dat ik schreef over Wevelgem gedurende de tweede wereldoorlog zou ik graag willen open trekken naar "Collaboratie, verzet en repressie in Wevelgem tijdens en na de tweede wereldoorlog". Bij het zoeken naar bronnen word ik goed geholpen door Geert Lecompte, een naar Brussel uitgeweken Wevelgemnaar die ik die week ook in Kortrijk kon ontmoeten.

Alvast zal hoofdstuk 2 van het boek over "de oorlog van Alfons Decock die nooit eindigde" (Nikolaas Ottevaere) van groot nut zijn. Dit hoofdstuk heeft het uitvoerig over de organisatie van de weerstand.

Geert is bovendien zeer gedreven in zijn opzoekingen. Zijn grootvader, Carlos Lecompte, was weerstander bij het OF en een "Nacht und Nebel"-gevangene. 




We keren terug naar het boek van Frans Robesyn en citeren een fragment op bladzijde 77, een fragment dat ten zeerste mijn belangstelling wekt:

"Ik moet u nog een paar feiten die alhier plaats grepen in die zomer van 1944 melden: Vrijdag 4 augustus zijn de inwoners van de Nachtegaalstraat aan een bloedbad ontsnapt: enkele dagen voordien werd een eenzame Duitser in de Moorselestraat neergekogeld door een verzetsman. Vermoedens wogen op vader en zoon Denys uit de Nachtegaalstraat. De Duitsers vermoedden dat in de woning Denys een vergadering zou plaatshebben van verzetslui. De Geheime Feldpolizei had een valstrik gespannen: vier agenten lagen in een hinderlaag terwijl een ander ging aankloppen aan de woning. Vader Denys deed open en stond oog in oog met een feldgendarm die hem wilde arresteren. Bliksemsnel vuurde Denys zijn pistool leeg en poogde de zieltogende feldgendarm in huis te sleuren toen plots 4 gendarmen op het toneel verschenen. Vader en zoon vluchtten weg langs de achterdeur, nagezeten en beschoten door de Duitsers. Andre Denys kreeg een kogel in de hiel. Enkele tijd nadien was het huis omsingeld en alle inwoners van de straat moesten buiten hun huis op de stoep. De burgemeester Byttebier werd erbij gehaald en pleitte voor de onschuldige bewoners, de gijzelaars mochten naar huis. 's Anderendaags was het natuurlijk een toeloop van volk naar het huis Denys. De woning van de familie Denys werd met balen stro omringd en nog dezelfde namiddag in de lucht geblazen."

Nog een fragment, op bladzijde 81, trekt mijn aandacht, de oorlog is voorbij ...:

"Op een bepaald ogenblik werd gedreigd met de plundering van de gleiswarenwinkel van Michiel Byttebier, de huidige oorlogsburgemeester die nergens meer te bespeuren was. Dit was voor de mannen van de weerstand een brug te ver. Ze lanceerden een oproep om jonge mannen in hun rangen te krijgen en geplande wandaden te verijdelen. Ik zelf heb dan ook aan deze oproep beantwoord. 's Avonds om 6 u moest ik mij aanmelden aan de winkel van de firma Byttebier. Daar ik tot hier toe nog nooit enig wapen in handen had gekregen, werden mij de eerste schietlessen gegeven met een geweer; Ik werd aangeduid om de nachtwacht te houden in de winkel van de burgemeester wat mij heel onwennig overkwam. 's Morgens werden wij binnengeroepen door mevrouw Byttebier die ons met plezier een tas koffie aanbood uit wederdank omdat wij wellicht haar winkel hadden gevrijwaard van plundering of andere wandaden. 's Anderendaags werd ons gemeld dat mijnheer Byttebier ergens was opgedoken en dat de verdere bewaking van zijn winkel niet meer nodig was. Ik  ben naar huis getrokken en was heel tevreden dat ook dit avontuur achter de rug was."

Het tweede boek dat Renaat voor mij in petto had beschrijft de geschiedenis van het vliegveld Bissegem-Wevelgem. Het boek had hij bekomen van ons tante Cecile, zus van mijn moeder. Hun vader, Maurits Degroote, was een tijdje tewerkgesteld op het vliegveld, vandaar de interesse ...
   


Terloops verwijs ik hier graag ook naar een ander werkje dat een stukje Wevelgemse geschiedenis beschrijft. Bernard Langedock was zo vriendelijk mij een tijdje geleden een exemplaar toe te sturen. Auteurs: Philippe Haeyaert, Bernard Langedock en Pol Vandesteene.


En er ligt nog leeswerk op de boekenplank.

Jan Bevernage overhandigde me het eindwerk uit 2015 van zijn broer Geert dat hij als gids in de Leiestreek had moeten maken. Het wordt een wandeling vanaf het stationsgebouw naar de vroegere wasserij Bevernage op de Wijnberghoek, met de interessante geschiedenis van die twee gebouwen.

Het gebeurde allemaal in die week in het vaderland.

dinsdag 30 januari 2018

De broodrondes in Wevelgem ...

Met mijn triporteur op broodronde in de Wijnbergstraat ter hoogte van de schoenwinkel van Lucien Staelens en kleermaker Balduyck tijdens de strenge winter van 1979-1980.

Wijnbergstraat.

Onze triporteur staat nu gestald in het bakkersmuseum van Marke.
De broodrondes van mijn goede en hardwerkende vader (om het deels met de woorden van Philippe Clerick te zeggen), de meeste heb ik samen met hem gedaan met de auto maar ook heel veel alleen, te voet, met de fiets, de mobylette en de bakfiets, door weer en wind. Vooral de barkoude winterdagen en snikhete zomerdagen blijven in de herinnering hangen.
 
We hielden halt op een snikhete namiddag aan "'t Brouwerietje aan Cneuts". Vader salamanderde 2 pinten naeen. Dat moet de enige keer zijn dat ik hem bier zag drinken in zijn leven, denk ik. Van mij waren het niet mijn eerste en ook niet mijn laatste pintjes in mijn leven ...

Hoewel het gezin 4 bakkerszonen telde - niemand nam de stiel over - brachten enkel mijn oudste broer Johan en ikzelf brood aan huis.
 
Op vele tijdstippen van de dag ging ik op broodronde. Tijdens het schooljaar 's middags snel na het middageten en ook soms 's avonds bediende ik nog enkele afgelegen klanten.
 
Die "middagklanten" woonden in "'t gangske" van Verraestjes (nu grotendeels de Rootbeekstraat) en in de Reutel- en Roeselarestraat, allemaal dichtbij onze bakkerij: het gezin Anseele, Mariette, "Irma's moeder", Alida, Yvonne en Denise Stragier, dagelijkse klanten allemaal. En niet te vergeten natuurlijk "Pattyntjes", die me steevast Napoleon noemden. Ik weet nog altijd niet waarom, klein was ik alleszins niet. Ze hielden daar ook een angstaanjagende gans, die, zodra ik eraan kwam, op me af kwam, lelijk met haar vleugels sloeg en luid begon te gakken. Rosette van de Welvaart was de laatste klant onder de middag.

Soms was er nog tijd voor een stukje "weketoarte" "Marbré" van recht over de deur bij Loncke en dan met "'t eten in 't kelegat" terug naar school. Terloops, de zondagstaarten kochten we bij "Valeetje". De aandachtige lezer heeft het al begrepen, vader Georges was enkel broodbakker.

De verder afgelegen avondklanten waren over het algemeen boer Devlies, Marc (Heytens) van "'t Vrie", boer Bekaert en het gezin Mourant in de Dadizelestraat in Moorsele. De overige klanten van Moorsele, in de Warandestraat tot aan "vaders" (af en toe deed de zus van ons moeder ook een broodronde op zaterdag, in dat huis dachten ze dat zij een dochter van mijn vader was, "zeg eens aan je vader", nu ja ze zag er ook wel mooi en jong uit) en in de Secretaris Vanmarckelaan werden altijd als laatst op de dag bediend door vader. In ander gemeenten kwamen we niet met brood. Helemaal in het begin was er wel Lauwe met een 10 à 15 klanten. Uiteindelijk bleek alles wat aan de andere kant van de Leie lag, te ver afgelegen.
 
Boer Georges Devlies was een zeer gemakkelijk klant. Zelden was er iemand in huis, niets was op slot en je moest zelf oordelen hoeveel broden er in de bijkeuken op de frigo moesten gelegd worden, bruin of wit, dagvers of niet, gewoon aanvullen tot drie broden. De boerderij wordt nu nog steeds uitgebaat door zoon Jozef.
 
Het huis van Marc van "'t Vrie" (tegen de wijk "'t Vrije" in Moorsele) werd later met de grond gelijk gemaakt voor de aanleg van de A19. De tunnel in de Moorselestraat kwam er in de plaats. Marc was een stille man, een noeste werker met wie ik af en toe een praatje kon slaan. Zijn ouders in de Wijnbergstraat en zussen, o.a. Agnes, waren ook klant.

Tijdens de schoolvakanties kwamen daarbij de namiddagrondes, samen met ons vader en met de auto. Ik geloof dat er een beurtrol was met mijn oudste broer, een week maandag-woensdag-vrijdag en een week dinsdag-donderdag. Op woensdagnamiddag heb ik dikwijls het begin van "Kapitein Zeppos" (hier klikken) en later "Johan en de Alverman" (hier klikken) gemist, dat was balen. Er was wel op zondagnamiddag een herhaling maar je moest het op woensdag gezien hebben of de rest van je week was naar de knoppen.

In het begin was de bakkerij één week gesloten wegens jaarlijks verlof, later twee weken, zeker niet meer en in samenspraak met bakker Georges Vanlede, kwestie van de Wijnberghoek niet zonder brood te zetten. Dit jaarlijks verlof gebruikte mijn vader om grondige kuis te doen in zijn bakkerij. Voor ons was dat grote luxe, ons eens kunnen uitleven tijdens de vakantie zoals de leeftijdgenoten.

Er zijn weinig straten waar we geen klanten hadden, vooral op de Wijnberghoek. In het kluwen van de zijstraten van de Vrijheidsstraat, die uitgaven op de Moorsele- en Ezelstraat vonden we moeiteloos onze weg, anderen liepen er gegarandeerd verloren ... De klanten van de Kruishoek werden als een van de laatsten bediend. In de Menen-, Kortrijk- en Lauwestraat weinig of geen klanten, in de zijstraten van de Lauwestraat wel.

De verste klanten richting Kortrijk situeerden zich in de Guldensporenstraat, meer bepaald 30 en 30A, de families D'haene-Seynhaeve (ouders van Koen, die nog onze bakkerij heeft bezocht met de klas van meester Azou, mijn jongste broer Willem zat in dezelfde klas) en Debonne-D'haene, families afkomstig van de Wijnberghoek, vandaar.

Elke dag hield mijn vader halt bij zijn zus Dina in de Nieuwstraat voor een kopje koffie. Zelfs als ze niet thuis was wisten we de sleutel liggen, de thermos met koffie stond klaar. Tante Dina had het voor haar broer.

Mijn leukste broodronde was op zaterdag, elke zaterdag van het jaar, alleen en liefst met de triporteur. Volgens mijn moeder wist je wanneer ik vertrok maar je wist niet wanneer ik terug kwam.

Een vast attribuut van de broodrondes was de "geldsacoche". Je ziet er een hangen aan de bakfiets hierboven op de foto. Alleen mijn broer en ik gebruikten zo'n sacoche, ons vader stak het in zijn zakken, letterlijk. Vele klanten betaalden slechts op het einde van de week.

Mijn sacoche telde 3 vakjes, een voor het kleingeld, een voor het papieren geld - van mij moest dit mooi geklasseerd zitten, volgens bedrag en in dezelfde richting - en een kleiner vakje met het lijstje van de te bedienen klanten.

Dat lijstje werd de vrijdagavond gemaakt door mijn moeder, in haar mooi handschrift. Dat had ze behouden van in de tijd dat ze nog voor de klas stond in het lager onderwijs te Menen (over haar carrièreswitch in 1951 kom je meer te weten door hier te klikken).

Andere vaste taken op vrijdagavond: het warmen van liters volle melk (geleverd door Gerard Vromman) en het "verlezen" van de rozijnen, nodig voor de koeke- of melkbroden van het weekend.

Rozijnen en gist "Bruggeman" werden geleverd door Jules "Julke" Vandenbulcke uit Bissegem, een kleine vriendelijke man, altijd gekleed met een "skabbe", die heel vlug sprak, op het hakkelen af.

De naam van de leverancier van de "bloeme" weet ik niet. Wat ik wel weet is dat meneer Hovelaque uit Moeskroen, een gezette man, altijd met wit hemd en das, de haren naar achteren gekamd met Brylcreem, bijna elke vrijdag langs kwam voor de betaling. Hij sprak gebroken Vlaams en we moesten hem telkens een hand geven. Er werd cash betaald met hoofdzakelijk briefjes van duizend BF, het waren er veel herinner ik me. We waren niet zijn enige klant. Een geluk dat de man nooit overvallen is geweest in zijn Mercedes.
 
Jongere broer Renaat was de man van de winkel en het voorbereiden van de broodrondes, hij kon ook perfect de broodzakken van de gesneden broden dichtvouwen. Vóór de broodzakken eraan kwamen werden de gesneden broden samen gehouden met elastiekjes. Hygiënisch was dat niet, vonden de instanties. Toch is er niemand ziek van geworden bij mijn weten en de elastiekjes hadden nog een functie als het brood op was. De broodsnijmachines zijn er gekomen in de jaren zestig denk ik. Voor het gemak. Af en toe moesten de messen vervangen worden. Het was een vrouw die daarvoor bij ons langskwam. Die was ver vooruit op haar tijd.

In de bakkerij zelf mocht enkel moeder helpen, zij alleen kon goed doen voor vader Georges. Eerst met het "afwegen" van het deeg en later ook met de "inschietapparaten" waarmee de broden in de oven gebracht werden. Niet moeten helpen bakken, eigenlijk kon ik daar best mee leven, ik verdroeg die warmte van die ovens heel moeilijk.

Die ovens bleven de ganse dag warm. Ook voor een vleesgebraad was er na het bakken van het brood zeker nog plaats. Ik herinner me dat "beenhouwerin" Aline Rapoeye van schuin over de deur haar "paté" soms kwam bakken in de namiddag als de ovens vrij waren.

In onze eerste oven werd eerst gestookt met "leem". Het leemkot moest later plaats maken voor een stookolietank. In de latere oven werd later overgeschakeld op verwarming met aardgas.

We keren even terug naar mijn zaterdagronde. Onder mijn klanten tal van landbouwers, bijna allemaal gesitueerd in de Ezelstraat.

In het begin van de Ezelstraat had je aanvankelijk de vlasroterij Luyckx. Vader Luyckx werd vroeg weduwnaar met acht kinderen (Leona (+), Lucien, Géry (+), Herve, Werner, Lucrèce, Lionel (+) en Ingrid (+)), de vlascommerce ging fel achteruit en de roterij werd een varkenskwekerij (later door Géry omgebouwd tot een motel,"Happy Day", en nu bestuurd door zijn zoon Charlie).

Wat verderop in de Ezelstraat, op de rechterkant, had je boer Elie Luyckx die nu nog altijd op de boerderij woont. Door de aanleg van de A19 (hier klikken voor meer info over de A19) kon je zijn boerderij niet meer bereiken vanaf de Ezelstraat, dit was enkel nog mogelijk vanuit Moorsele.

Nog verder in de Ezelstraat de boerderijen Wallecan en  Roelens. Ik heb heel goede herinneringen aan Eric Roelens die jong en onverwacht stierf op zijn tractor in het veld. Bij hem en boer Wallecan kon ik uren blijven hangen.

Blijven hangen gebeurde zeker op de Zevekote bij mijn laatste klant "Fonten Craeynest". Fons kweekte Vlaamse reuzen. Elk jaar bestelde en betaalde zijn dochter Lia  een halve kilo klaaskoeken voor hem. "Ik moet dat niet" zei hij, "heb je al gegeten?". Ik zette me prompt aan tafel en begon enkele koeken te eten met een kom koffie. Hij maakte telkens zijn koffie door steeds water op te gieten in hetzelfde koffiegruis aangevuld met wat verse koffie.

Ik sluit af met de periode van die klaaskoeken. Die was toen beperkt tot maximaal drie weekends per jaar. Een heel stresserende periode voor mijn ouders. Ik ben geboren op 4 december, in volle klaaskoekenperiode. Ik kwam een beetje ongelegen, mijn moeder stond op die stormachtige dag nog te helpen in de bakkerij.

Achteraf gezien was ik nog zo'n slechte "investering" niet, ik heb veel kunnen terug doen, en met veel plezier en mooie herinneringen!

De boerderij van Eric Roelens.


Boerderij Wallecan.


Papa Georges in de Roeselarestraat.



woensdag 20 september 2017

Kleuter- en lager onderwijs (1954 - 1966)


Vooraleer je naar de "bewaarklasjes" wordt gestuurd en het lager onderwijs volgt, word je geboren.

Bij mij is dat het geval op een zaterdagavond, 4 december 1954, bij stormachtig weer in het "moederhuis" van Wevelgem, nu "Camillus".

Ik kom een beetje ongelegen want in de bakkerij is het een drukke tijd, die van de klaaskoeken.



Mijn grootmoeder en meter "bobonne" uit Menen is er al vroeg bij om haar vierde kleinkind te bewonderen.


Johan, geboren op 29 december 1952, meldt met innige vreugde, ook telefonisch, de geboorte van zijn broertje …

Met innige vreugde ...




Ik word gedoopt door pastoor Decadt, een ver familielid langs vaders kant, en mijn meter en peter zijn Josephine Lamoot en Gilbert Vanneste.






De “bewaarklasjes” doorloop ik in de Kleine Wijnbergstraat:
·         1ste kleuter (1957-1958) bij juffrouw Brigitte Staelens dacht ik, maar klasgenootje van toen, Françoise Mortier, zegt mij dat het juffrouw Henriette Delmotte was;

·         2de kleuter (1958-1959) bij juffrouw Jacqueline Defoor die met Nieuwjaar een zieke zuster verving en die de tweelingzus is van Jacques Defoor, mijn latere meester van het vierde leerjaar;

·         3de kleuter (1959-1960) bij zuster Serafien.

Later kom ik nog terug in de Wijnbergschool voor de "Fancy Fair", waarvan de opbrengst bestemd is voor de missies.
Fancy Fair?
We laten Wikipedia aan het woord:
" Een fancy fair is een activiteit voor kinderen. Tijdens een fancy fair kunnen de aanwezige kinderen spelenderwijs prijsjes, eten, drinken en/of snoepgoed verdienen. Dit gebeurt doorgaans door het spelen van spelletjes, of het doen van kleine opdrachten.

Vaak wordt een fancy fair gehouden op een basisschool, buurthuis of een scoutingclub, ook worden fancy fairs weleens gehouden in combinatie met een ander evenement, bijvoorbeeld een rommelmarkt. Redenen om een fancy fair te houden zijn onder andere een lustrum, of om de kas van een vereniging wat te spekken, zodat meerdere activiteiten georganiseerd kunnen worden."
Onze overburen Zulma en Maria Donckels helpen mee met het organiseren van de Fancy Fair.
De ongetrouwde zusters Zulma en Maria leven samen met hun broer Michel, eveneens ongehuwd. Met hem speel ik regelmatig de priorpronostiek die we indienen bij coiffeur Lionel Vandenbroucke. Grote winsten zitten er niet in.

Er woont nog familie Donckels aan de overkant. Een andere broer Maurice Donckels is wel gehuwd en heeft 4 kinderen: Monique, onder wiens begeleiding we naar de Wijnbergschool gaan, Remi, Frans, die later permanent verantwoordelijke wordt in de jeugdclub Ten Goudberge, en Jacques, die nog naast mij zal zitten in de studiezaal van het Sint-Pauluscollege.
In afwachting van het lager onderwijs worden enkele foto's genomen, aan het "koolkot", in de Kroonstraat te Menen en met Johan aan zee.










Nummer drie wordt geboren in ons gezin, Renaat, op 25 september 1958.



Met hem bezoek ik de goede Sint.



Volgens mijn moeder ben ik een koppig ventje en een kruidje-roer-mij-niet, licht geraakt, gevoelig en snel geïrriteerd dus.
Als ze me kwaad willen zien moeten ze maar "Nollie" zeggen, een “koosnaampje” dat ik te danken heb aan mijn nonkel Paul Masschelein uit Beselare. Die nonkel was medeorganisator van de heksenstoet, waaraan ik één maal deelneem, samen met broer Johan en neef Martin Cottignies. 

Johan en Martin, ik loop daar ook ergens rond, met die bezem?


Nu mogen ze "Nollie" zeggen, het stoort me niet langer.

In september 1960 begin ik het lager onderwijs in de Gemeentelijke Jongensschool in de Hoogstraat te Wevelgem.




In het eerste leerjaar (1960-1961) is Paul Duhamel mijn meester de eerste maand van het schooljaar. Vanaf oktober neemt juffrouw Maria Doutrebon over.

Op school worden we massaal lid van de Melkbrigade.

De Melkbrigade



Tijdens de speeltijd wordt bepaalde jaren soep gedronken, "soep Regal" uit Bissegem.

Op 25 maart 1961 doe ik mijn eerste communie op de Wijnberghoek in de tot kerk omgebouwde oude vlasschuur.

Het feest wordt gevierd in de Kroonstraat te Menen bij de grootouders.





Met Johan (8 jaar) en Renaat (4 jaar) aan de "paters" in onze "tuin".
Hoewel ik in het derde trimester nog 93% behaal, schrijft juffrouw Doutrebon dat ik de laatste tijd wat “verslapt” ben.
In het tweede leerjaar (1961-1962) is Paul Duhamel opnieuw mijn meester maar dit keer voor het volledige schooljaar.
Paul Duhamel
Hij vindt dat ik een inspanning moet doen om schoner te schrijven en denkt dat ik wat te gemakkelijk ben. Hij verwacht meer activiteit en aandacht.

Ik heb een fijne herinnering aan een kerstfeestje in de klas rond de kerstboom. Iedereen brengt een pakje mee, ik een wit pakje chocolade fondant van Côte d’Or uit onze winkel, het leukste geschenkje vind ik.

In het tweede studiejaar begin ik te brillen. Oogarts Debacker uit Menen schrijft voor dat ik mijn goed rechteroog moet bedekken om mijn lui linkeroog te activeren. Ik vertik het dit te doen en draag daarvan tot op vandaag nog steeds de gevolgen.

Mijn favoriete meester is misschien wel meester Adrien Deman in het derde leerjaar (1962-1963). Mijn rapportboekje bevat niets anders dan positieve aanmerkingen.
Met het derde leerjaar, vermoedelijk op schoolreis.
De winter van 1962-1963 is de strengste winter die ik ooit gekend heb, die zit nog in mijn geheugen gegrift.

Ik herinner me ook nog heel goed de aanleg van de Vrijheidsstraat in 1963. De open ruimte maakt stilletjes aan plaats voor bebouwing op de Wijnberghoek.


In het vierde leerjaar (1963-1964) is Jacques Defoor onze meester.






Tijdens de vakantie, op 31 juli 1964, wordt jongste broer Willem geboren.
In het vijfde leerjaar (1964-1965) komen we bij meester Maurice Soenen “Soentje” terecht.


Wie goed oplet kan veel punten behalen. Een mondelinge invuloefening vanaf het bord is enkele minuten later opnieuw en schriftelijk te doen en blijkt een proefwerk te zijn.
 
Later leer ik hem beter kennen als hij me als voorzitter van een kiesbureau vraagt zijn secretaris te worden bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1976.
In 1976 wordt aan de voorzitters en secretarissen van de stemopnemingsbureaus een warme maaltijd aangeboden in de Gouden Fazant. Maurice probeert de zetelverdeling te voorspellen al rekenend op het (papieren) tafelkleed .
Hij maakt er ook een punt van om bij elke verkiezing als eerste het PV van de voormiddag af te sluiten en slaagt daar telkens in. Ik leer de klappen van de zweep en word later zelf verschillende keren voorzitter van een stemopnemingsbureau in de voormiddag. Echter niet wanneer ik zelf kandidaat ben op een lijst.

Meester Soentje vertelt mij dat hij jaren één van schriften bewaart omwille van het “schoonschrift”, dat als voorbeeld moet dienen de volgende schooljaren.



Ik leer hem ook kennen als journalist van het Wekelijks Nieuws. Hoewel hij zeker niet Vlaamsgezind is krijg ik als gemeenteraadslid altijd een goede pers van hem.
In het vijfde leerjaar word ik misdienaar op de Wijnberg, samen met Geert Vanhauwaert, Rik Bevernage en Patrick Deprez bij pastoor Maurits Lauwers en hulppriester-leraar Georges Messiaen, ook proost van de Chirojeugd.

Om beurt dienen we ’s morgens vroeg een week lang de mis, in het Latijn en met de rug naar het publiek, en op zondagnamiddag het Lof. Af en toe moeten we in de week een trouw of een begrafenis dienen en dan mogen we de nodige uren afwezig blijven van school, dat is altijd even mooi meegenomen.
Na een huwelijk wordt er door de misdienaars "gestropt". Het huwelijkspaar wordt bij het verlaten van de kerk door ons met een touw tegengehouden. Ze kunnen maar voorbij als ze ons een fooi geven. De opbrengst komt in een gemeenschappelijke pot terecht.
Het laatste jaar van het lager onderwijs (1965-1966) sluit ik af met meester Roger Salembier. Gewijde geschiedenis vind ik een fijn vak, al die mooie verhalen.

ASLK leert ons hoe belangrijk het is te sparen, via de school.

Op het einde van het schooljaar worden we klaargestoomd voor het traditionele kantonnaal examen en op de laatste dag van het schooljaar zingen we zowel de Vlaamse leeuw als de Brabançonne tijdens de prijsuitdeling op de speelkoer.






Op 10 november 2019, 53 jaar later, zijn tien leerlingen van het zesde studiejaar samen op een reünie, ze zijn nog geen haar veranderd.


Van links naar rechts: Patrick Deprez, Fritz Dalewijn, Paul Poppe, Guido Demeyere, Johnny Staelens, Jean-Paul Soen, Bernard Catteeuw, Arnold Seynnaeve, Jean-Pierre Baekelandt en Bernard Masselis.

Op 21 mei 1966 word ik gevormd als misdienaar, Paul Herpels is mijn vormpeter. Op de achtergrond de Kruisweg geschilderd door wie anders dan parochiaan Lionel Holvoet.
Trees Yserbyt, de vrouw van Lionel Holvoet, ontwerpt het prentje.
Een week later, op 29 mei 1966, doen we ons plechtige communie.
Eén van de nieuwe misdienaars om de oude lichting te vervangen is Bernard Stragier. Zijn nonkels Frans en Marcel Stragier stellen op de hoek van Roeselare- en Wijnbergstraat een gebouwtje ter beschikking dat ingericht wordt als “biljartkot”. Het wordt een verzamelplaats voor een aantal jongeren van de Wijnberg  maar eveneens voor volwassenen die er een partijtje ondereen willen spelen. Ik ben een wekelijkse bezoeker en speler.
In de tweede helft van de jaren 60, het juiste jaar herinner ik me niet meer, schaffen ook wij ons een televisie aan. Hij wordt door Valère Mortier geleverd en “geïnstalleerd” op een zondag. Het eerste programma, uiteraard in zwart-wit, dat we zien zijn de Flinstones.

Vóór die magische zondag, gaan we af en toe naar Zorro of Rin Tin Tin kijken bij tante Mimi in de Wijnbergstraat of bij onze buurvrouw Bertha, de moeder van kunstenaar Lionel Holvoet “Nille Marente”.

Op een dag is daar een andere kunstenaar op bezoek, Antoon De Candt (Wevelgem, 13 april 1939 — Billy-Montigny, 9 oktober 1966) en, na een spannende Zorro, zegt hij mij: “Ge zijt zo rood als een tomatte”.
Begin jaren 60 word ik enkele jaren lid van de Chiro. Het uniform heeft wel iets en ik herinner me de formatie, de driloefeningen en het gebed bij begin en einde van de zondagnamiddagen.

Chiroleiders, staand van L naar R: Jan Vanwalleghem, Pol Debrabander, Luc Defrancq, Ronny Delaere, Karlos Callens, Marc Vervenne, Marc Moerkerke, Frans Gistelinck, Walter Daels, Eddy Seghers, Georges Messiaen, Remi Donckels, Pierre Debonne, Lucien Devos, Frans Valcke, Guy Allegaert. Zittend L naar R: Bernard Vanhauwaert, Roland Demuynck, Lieven Carron, Omer Josson, José Louage, Marcel Devos, Guy Loncke, Domien Vanhauwaert, Eric Vandenbulcke, Bob Carron.
Op een groot Chirofeest ben ik er in 1964 in Antwerpen bij voor het evenement “Top 64”. We moeten daar een sabeldans uitvoeren.

Filmverslag "Top 64"
In een volgend stukje maken we de stap naar het college.